veter
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een rijgkoord of rijgsnoer om delen van kledingstukken, schoeisel, zeilen ed. vaak tijdelijk en min of meer strak, aan elkaar te rijgen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| veters | meervoud |
| vetertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vetertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veteren
- gebiedende wijs van veteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veteren
Vervoeging van veter
veterhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘koord’ voor het eerst aangetroffen in 1191
Woordfamilie van veter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| veters | meervoud | veter |
| vetertje | verkleinwoord | veter |
| vetertjes | verkleinwoord meervoud | veter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van veter zijn vastgelegd.