vertragen
werkwoordBetekenis
- langzamer doen worden
Vervoeging van vertragen
vertragenhele werkwoord — vertraagdeverleden tijd enkelvoud — vertraagdenverleden tijd meervoud — vertraagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertraag | vertraagde |
| jij | vertraagt | vertraagde |
| hij, zij, het | vertraagt | vertraagde |
| wij | vertragen | vertraagden |
| jullie | vertragen | vertraagden |
| zij | vertragen | vertraagden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vertraagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vertraagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vertraagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vertraagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vertraagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vertraagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vertraagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vertraagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vertraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vertraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vertraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vertraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vertraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vertraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vertraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vertraagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vertraagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vertragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vertragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertraag | gebiedende wijs |
| vertraagd | verleden tijd, deelwoord |
| vertraagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vertraagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vertraagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertraagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertraagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertraagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vertraagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vertraagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertraagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertraagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertraagde | verleden tijd |
| vertrage | aanvoegende wijs |
| vertragend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vertraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vertraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vertraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vertraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vertraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vertraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vertraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vertraagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vertraagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertraagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vertraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vertraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertraagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertraagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vertraagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vertraagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vertraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertraagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertraagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van traag met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en of afgeleid van tragen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vertragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertraag | gebiedende wijs | vertragen |
| vertraagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vertragen |
| vertraagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vertragen |
| vertrage | aanvoegende wijs | vertragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertragen zijn vastgelegd.