verontschuldigen
werkwoordBetekenis
- spijt betuigen en excuus vragen
- spijt betuigend meedelen dat men niet kan komen of juist weg moet gaan
- vrijpleiten van schuld
Vervoeging van verontschuldigen
verontschuldigenhele werkwoord — verontschuldigdeverleden tijd enkelvoud — verontschuldigdenverleden tijd meervoud — verontschuldigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verontschuldig | verontschuldigde |
| jij | verontschuldigt | verontschuldigde |
| hij, zij, het | verontschuldigt | verontschuldigde |
| wij | verontschuldigen | verontschuldigden |
| jullie | verontschuldigen | verontschuldigden |
| zij | verontschuldigen | verontschuldigden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verontschuldigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verontschuldigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verontschuldigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verontschuldigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verontschuldigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verontschuldigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verontschuldigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verontschuldigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verontschuldigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verontschuldigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verontschuldigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verontschuldigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verontschuldig | gebiedende wijs |
| verontschuldig me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verontschuldig u/je , verontschuldigt je | gebiedende wijs |
| verontschuldigd | verleden tijd, deelwoord |
| verontschuldigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verontschuldigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verontschuldigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verontschuldigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verontschuldigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verontschuldigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verontschuldigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verontschuldigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verontschuldigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verontschuldigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verontschuldigde | verleden tijd |
| verontschuldigde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verontschuldigde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verontschuldigde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verontschuldigde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verontschuldigde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verontschuldigde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verontschuldigde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verontschuldigden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verontschuldigden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verontschuldigden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verontschuldige | aanvoegende wijs |
| verontschuldige zich | aanvoegende wijs |
| verontschuldigen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verontschuldigen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verontschuldigen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verontschuldigend | onvoltooid, deelwoord |
| verontschuldigt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verontschuldigt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verontschuldigt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verontschuldigt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verontschuldigt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verontschuldigt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verontschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verontschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verontschuldigen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verontschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verontschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verontschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verontschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verontschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verontschuldigen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verontschuldigen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verontschuldigd hebben | verleden tijd |
| zich verontschuldigend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verontschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verontschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verontschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verontschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verontschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verontschuldigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verontschuldigen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verontschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verontschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘van schuld vrijpleiten’ voor het eerst aangetroffen in 1459
Woordfamilie van verontschuldigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verontschuldig | gebiedende wijs | verontschuldigen |
| verontschuldigd | voltooid deelwoord | verontschuldigen |
| verontschuldigde | verleden tijd | verontschuldigen |
| verontschuldigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verontschuldigen |
| verontschuldige | aanvoegende wijs | verontschuldigen |
| verontschuldigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verontschuldigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verontschuldigen zijn vastgelegd.