vernieuwen
werkwoord /vərˈniwə(n)/Betekenis
- opnieuw maken, opknappen
- bij de tijd brengen
Hoe spreek je vernieuwen uit?
/vərˈniwən/
Vernieuwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| i | riet |
| w | quiz |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het opnieuw afsluiten van een verzekering
Vervoeging van vernieuwen
vernieuwenhele werkwoord — vernieuwdeverleden tijd enkelvoud — vernieuwdenverleden tijd meervoud — vernieuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vernieuw | vernieuwde |
| jij | vernieuwt | vernieuwde |
| hij, zij, het | vernieuwt | vernieuwde |
| wij | vernieuwen | vernieuwden |
| jullie | vernieuwen | vernieuwden |
| zij | vernieuwen | vernieuwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vernieuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vernieuwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vernieuwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vernieuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vernieuwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vernieuwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vernieuwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vernieuwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vernieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vernieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vernieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vernieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vernieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vernieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vernieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vernieuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vernieuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vernieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vernieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernieuw | gebiedende wijs |
| vernieuwd | verleden tijd, deelwoord |
| vernieuwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vernieuwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vernieuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernieuwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernieuwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernieuwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vernieuwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vernieuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernieuwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernieuwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernieuwde | verleden tijd |
| vernieuwe | aanvoegende wijs |
| vernieuwend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vernieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vernieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vernieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vernieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vernieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vernieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vernieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vernieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vernieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vernieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vernieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vernieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vernieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vernieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vernieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vernieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vernieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vernieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vernieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vernieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afleiding van nieuw met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en.
Woordfamilie van vernieuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vernieuw | gebiedende wijs | vernieuwen |
| vernieuwd | voltooid deelwoord | vernieuwen |
| vernieuwde | verleden tijd | vernieuwen |
| vernieuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vernieuwen |
| vernieuwe | aanvoegende wijs | vernieuwen |
| vernieuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vernieuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vernieuwen zijn vastgelegd.