verlezen
werkwoordBetekenis
- zich ~: een fout maken bij het lezen
Vervoeging van verlezen
verlezenhele werkwoord — verlezenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verlaast u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verlaast u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlas | verleden tijd |
| verlas je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlas me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlas zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlas zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verlas zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlazen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlazen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlazen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlees me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verlees u/je , verleest je | gebiedende wijs |
| verleest je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verleest u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verleest u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verleest zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verleest zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verleest zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verleze zich | aanvoegende wijs |
| verlezen | verleden tijd, deelwoord |
| verlezen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verlezen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verlezen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verlezen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verlezen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verlezen hebben | verleden tijd |
| zich verlezend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verlezen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verlezen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verlezen | tweede persoon |
| zult u verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verlezen | tweede persoon |
| zult zich/u verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van verlezen
Vervoeging van verlezen
verlezenhele werkwoord — verlezenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verlaast u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verlaast u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlas | verleden tijd |
| verlas je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlas me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlas zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verlas zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verlas zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlazen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlazen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlazen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verlees me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verlees u/je , verleest je | gebiedende wijs |
| verleest je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verleest u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verleest u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verleest zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verleest zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verleest zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verleze zich | aanvoegende wijs |
| verlezen | verleden tijd, deelwoord |
| verlezen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verlezen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verlezen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verlezen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich verlezen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verlezen hebben | verleden tijd |
| zich verlezend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verlezen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich verlezen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verlezen | tweede persoon |
| zult u verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u verlezen | tweede persoon |
| zult zich/u verlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van lezen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verlezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verlas | verleden tijd | verlezen |
| verlazen | woordvorm | verlezen |
| verlees | woordvorm | verlezen |
| verleest | woordvorm | verlezen |
| verleze | woordvorm | verlezen |
| verlezend | woordvorm | verlezen |
| verlezende | woordvorm | verlezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verlezen zijn vastgelegd.