verheugen
werkwoordBetekenis
- zich ~: blijdschap ervaren
- zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
- iemand ~ vreugde bereiden
Vervoeging van verheugen
verheugenhele werkwoord — verheugdeverleden tijd enkelvoud — verheugdenverleden tijd meervoud — verheugdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verheug | verheugde |
| jij | verheugt | verheugde |
| hij, zij, het | verheugt | verheugde |
| wij | verheugen | verheugden |
| jullie | verheugen | verheugden |
| zij | verheugen | verheugden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verheugd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verheugd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verheugd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verheugd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verheugd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verheugd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verheugd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verheugd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verheugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verheugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verheugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verheugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verheugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verheugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verheugen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verheugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheug | gebiedende wijs |
| verheug me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verheug u/je , verheugt je | gebiedende wijs |
| verheugd | verleden tijd, deelwoord |
| verheugd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verheugd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verheugd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheugd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheugd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheugd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verheugd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verheugd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheugd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheugd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheugde | verleden tijd |
| verheugde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verheugde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verheugde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verheugde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verheugde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verheugde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verheugde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verheugden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verheugden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verheugden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verheuge | aanvoegende wijs |
| verheuge zich | aanvoegende wijs |
| verheugen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verheugen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verheugen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verheugend | onvoltooid, deelwoord |
| verheugt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verheugt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verheugt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verheugt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verheugt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verheugt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verheugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verheugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verheugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verheugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verheugd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verheugd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verheugd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verheugd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verheugd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verheugd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verheugd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verheugen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verheugd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheugd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verheugen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verheugen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verheugd hebben | verleden tijd |
| zich verheugend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verheugd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verheugd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verheugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verheugen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verheugen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘blij zijn of maken’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van verheugen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verheug | gebiedende wijs | verheugen |
| verheugden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verheugen |
| verheuge | aanvoegende wijs | verheugen |
| verheugt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verheugen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verheugen zijn vastgelegd.