verdedigen
werkwoordBetekenis
- beschermen tegen een aanval
Vervoeging van verdedigen
verdedigenhele werkwoord — verdedigdeverleden tijd enkelvoud — verdedigdenverleden tijd meervoud — verdedigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdedig | verdedigde |
| jij | verdedigt | verdedigde |
| hij, zij, het | verdedigt | verdedigde |
| wij | verdedigen | verdedigden |
| jullie | verdedigen | verdedigden |
| zij | verdedigen | verdedigden |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verdedigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdedigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdedigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdedigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdedigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdedigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdedigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdedigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdedigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdedigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdedigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdedigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdedig | gebiedende wijs |
| verdedig me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdedig u/je , verdedigt je | gebiedende wijs |
| verdedigd | verleden tijd, deelwoord |
| verdedigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdedigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdedigde | verleden tijd |
| verdedigde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdedigde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdedigde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdedigde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdedigde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdedigde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdedigde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdedigden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdedigden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdedigden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdedige | aanvoegende wijs |
| verdedige zich | aanvoegende wijs |
| verdedigen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdedigen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdedigen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdedigend | onvoltooid, deelwoord |
| verdedigt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdedigt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdedigt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdedigt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdedigt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdedigt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verdedigen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verdedigen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verdedigen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verdedigd hebben | verleden tijd |
| zich verdedigend | onvoltooid, deelwoord |
| zou verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verdedigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verdedigen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdedigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich verdedigen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verdedigen | tweede persoon |
| zult u verdedigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult verdedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zich/u verdedigen | tweede persoon |
| zult zich/u verdedigen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘afweren, weerleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van verdedigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdedig | gebiedende wijs | verdedigen |
| verdedigd | voltooid deelwoord | verdedigen |
| verdedigde | verleden tijd | verdedigen |
| verdedigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdedigen |
| verdedige | aanvoegende wijs | verdedigen |
| verdedigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdedigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdedigen zijn vastgelegd.