vaststaan
werkwoord ˈvɑ(st)stanBetekenis
- zeker zijn
- onveranderlijk zijn, onbeweegbaar stilstaan
Hoe spreek je vaststaan uit?
/ˈvɑststan/
Vaststaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vaststaan
vaststaanhele werkwoord — stond vastverleden tijd enkelvoud — stonden vastverleden tijd meervoud — vastgestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta vast | stond vast |
| jij | staat vast | stond vast |
| hij, zij, het | staat vast | stond vast |
| wij | staan vast | stonden vast |
| jullie | staan vast | stonden vast |
| zij | staan vast | stonden vast |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta vast | gebiedende wijs |
| stond vast | verleden tijd |
| te hebben vastgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vaststaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| vastgestaan | verleden tijd, deelwoord |
| vastgestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vaststa | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vaststaand | onvoltooid, deelwoord |
| vaststaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vaststond | bijzin, verleden tijd |
| vaststonden | bijzin, verleden tijd |
| vaststondt | bijzin, verleden tijd |
| zal vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vaststaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vaststaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vaststaan vast zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vaststaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vaststaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vaststaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vaststaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vaststaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vaststaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vaststaan vast zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en staan
Woordfamilie van vaststaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sta vast | gebiedende wijs | vaststaan |
| staan vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vaststaan |
| staat vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vaststaan |
| stond vast | verleden tijd | vaststaan |
| stonden vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vaststaan |
| vastgestaan | voltooid deelwoord | vaststaan |
| vaststa | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vaststaan |
| vaststaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vaststaan |
| vaststond | subordinate-clause, verleden tijd | vaststaan |
| vaststonden | subordinate-clause, verleden tijd | vaststaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaststaan zijn vastgelegd.