variëteit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- verscheidenheid, afwisseling
- iets afwijkende vorm van een bepaalde soort die erfelijk is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| variëteiten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afwijkende vorm van een soort’ voor het eerst aangetroffen in 1637
Woordfamilie van variëteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| variëteiten | meervoud | variëteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van variëteit zijn vastgelegd.