vakwerk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- heel goed werk van een vakman
- ouderwetse bouwconstructie waarbij de wanden van een gebouw worden samengesteld uit een geraamte van houten balken, die vakken vormen, die daarna opgevuld worden met metselwerk of vlechtwerk van takken waarover leem wordt gestreken
- een overspanningsconstructie bestaande uit lijnvormige elementen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vakwerken | meervoud |
| vakwerkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vakwerkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van vak en werk
Woordfamilie van vakwerk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vakwerken | meervoud | vakwerk |
| vakwerkje | verkleinwoord | vakwerk |
| vakwerkjes | verkleinwoord meervoud | vakwerk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vakwerk zijn vastgelegd.