uitnodigen
werkwoord /'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/Betekenis
- iemand verzoeken iets bij te wonen
Hoe spreek je uitnodigen uit?
/ˈʌʏtnodəxən/
Uitnodigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʏ | put |
| t | tak |
| n | nek |
| o | boot |
| d | dak |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitnodigen
uitnodigenhele werkwoord — nodigde uitverleden tijd enkelvoud — nodigden uitverleden tijd meervoud — uitgenodigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nodig uit | nodigde uit |
| jij | nodigt uit | nodigde uit |
| hij, zij, het | nodigt uit | nodigde uit |
| wij | nodigen uit | nodigden uit |
| jullie | nodigen uit | nodigden uit |
| zij | nodigen uit | nodigden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgenodigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgenodigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgenodigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgenodigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgenodigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgenodigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgenodigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgenodigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgenodigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nodig uit | gebiedende wijs |
| nodigde uit | verleden tijd |
| te hebben uitgenodigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitnodigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te nodigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen nodigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal nodigen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou nodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden nodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt nodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen nodigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen nodigen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult nodigen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgenodigd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgenodigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgenodigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgenodigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgenodigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgenodigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgenodigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgenodigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgenodigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgenodigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgenodigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitnodig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitnodigde | bijzin, verleden tijd |
| uitnodigden | bijzin, verleden tijd |
| uitnodigend | onvoltooid, deelwoord |
| uitnodigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgenodigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgenodigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgenodigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgenodigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitnodigen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgenodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitnodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitnodigen uit zou(dt) nodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitnodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgenodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgenodigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitnodigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgenodigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgenodigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgenodigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgenodigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitnodigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitnodigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitnodigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgenodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en nodigen ww
Woordfamilie van uitnodigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nodig uit | gebiedende wijs | uitnodigen |
| nodigde uit | verleden tijd | uitnodigen |
| nodigden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitnodigen |
| nodige uit | woordvorm | uitnodigen |
| nodigen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitnodigen |
| nodigt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitnodigen |
| uitgenodigd | voltooid deelwoord | uitnodigen |
| uitnodig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitnodigen |
| uitnodigde | subordinate-clause, verleden tijd | uitnodigen |
| uitnodigden | subordinate-clause, verleden tijd | uitnodigen |
| uitnodige | with-subordinate-clause | uitnodigen |
| uitnodigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitnodigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitnodigen zijn vastgelegd.