uiterwaard
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het overloopgebied tussen een winterdijk en het zomerbed langs een beek of rivier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uiterwaarden | meervoud |
| uiterwaardje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uiterwaardjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘buitendijks rivierland’ voor het eerst aangetroffen in 1483
Woordfamilie van uiterwaard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uiterwaarden | meervoud | uiterwaard |
| uiterwaardje | verkleinwoord | uiterwaard |
| uiterwaardjes | verkleinwoord meervoud | uiterwaard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiterwaard zijn vastgelegd.