tuba
zelfstandig naamwoord ˈtybaBetekenis
- een koperen blaasinstrument met lage toon
- een buis met een trompetvormige opening, zoals de eileider (tuba uterina of tuba Falloppi) en de buis van Eustachius (tuba auditiva)
- derris, vlinderbloemige liaan ()
- vissengif dat uit de wortels van de derris wordt gemaakt
- aanduiding voor een buisvormig orgaan
- tuba
Hoe spreek je tuba uit?
/ˈtyba/
Tuba bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| y | fuut |
| b | bak |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tuba's | meervoud |
| tubaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tubaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘blaasinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832
Woordfamilie van tuba
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tuba's | meervoud | tuba |
| tubaatje | verkleinwoord | tuba |
| tubaatjes | verkleinwoord meervoud | tuba |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tuba zijn vastgelegd.