truffel
zelfstandig naamwoord ˈtrʏfəlBetekenis
- Tuber, een zwam die onder de grond op de wortels van bomen groeit
- een in cacao-poeder gewenteld balletje chocoladeschuim
Hoe spreek je truffel uit?
/ˈtrʏfəl/
Truffel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een geslacht Tuber van zwammen die onder de grond, op de wortels van verschillende boomsoorten in wederzijdse symbiose groeien. De truffel is kostbaar, wordt hoofdzakelijk verwerkt in de hogere gastronomie en wordt beschouwd als een delicatesse
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| truffels | meervoud |
| truffeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| truffeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘paddestoelsoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1514
Woordfamilie van truffel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| truffels | meervoud | truffel |
| truffeltje | verkleinwoord | truffel |
| truffeltjes | verkleinwoord meervoud | truffel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van truffel zijn vastgelegd.