duffel
zelfstandig naamwoord ˈdʏfəlBetekenis
- een zware, ruwe, wollen stof die oorspronkelijk in het Zuid-Nederlandse Duffel werd vervaardigd
- zware jas van voornoemde stof vervaardigd
- een zware, dichte wollen stof
- een meest cilindrische tas vervaardigd uit 1 of vergelijkbaar tekstiel
Hoe spreek je duffel uit?
/ˈdʏfəl/
Duffel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ʏ | put |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| duffels | enkelvoud |
| duffeltje | verkleinwoord, tweede persoon |
| duffeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘dikke wollen stof’ voor het eerst aangetroffen in 1637
Woordfamilie van duffel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duffeltje | verkleinwoord, 2e persoon | duffel |
| duffeltjes | verkleinwoord | duffel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duffel zijn vastgelegd.