trouwzaal
zelfstandig naamwoord ˈtrɑuzalBetekenis
- zaal waar burgerlijke huwelijken plaatsvinden, vaak maar niet altijd gelegen in het stadhuis
Hoe spreek je trouwzaal uit?
/ˈtrɑuzal/
Trouwzaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑu | koud |
| z | zon |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trouwzaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trouwzaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| trouwzalen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van trouw ww en zaal
Woordfamilie van trouwzaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trouwzaaltje | verkleinwoord | trouwzaal |
| trouwzaaltjes | verkleinwoord meervoud | trouwzaal |
| trouwzalen | meervoud | trouwzaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trouwzaal zijn vastgelegd.