tromp
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (veroud.) iets wat een doffe klank voortgebrengt (blaashoorn, midwinterhoorn, olifantssnuit, geweer, kanon)
- (veroud.) het mondstuk van een geweer of andersoortige vuurmond, waarlangs vroeger de munitie werd ingebracht
- koepel of overgangslid om een vierhoekige onderbouw te geleiden naar een veelhoekige of ronde bovenbouw
- (veroud.) blazen op een trompet
- het blazen van een olifant
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- iets wat een doffe klank voortbrengt (blaashoorn, midwinterhoorn, olifantssnuit, geweer, kanon)
- blazen op een trompet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trompen | meervoud |
| trompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompen
- gebiedende wijs van trompen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompen
Vervoeging van tromp
tromphele werkwoord
Woordfamilie van tromp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trompen | meervoud | tromp |
| trompje | verkleinwoord | tromp |
| trompjes | verkleinwoord meervoud | tromp |
| getrompt | woordvorm | trompen |
| trompe | woordvorm | trompen |
| trompend | woordvorm | trompen |
| trompende | woordvorm | trompen |
| trompt | woordvorm | trompen |
| trompte | woordvorm | trompen |
| trompten | woordvorm | trompen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tromp zijn vastgelegd.