tripel
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈtripəlBetekenis
- drietallig, drievoudig
- drietal, drievoud
- bier dat in drie stadia is gegist
- fijne polijstaarde, bestaande uit kiezelzuur met ijzeroxyde en aluminiumoxyde, of uit puimsteenpoeder
Hoe spreek je tripel uit?
/ˈtripəl/
Tripel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| i | riet |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘trappistenbier’ voor het eerst aangetroffen in 1913
Woordfamilie van tripel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tripels | meervoud | tripel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tripel zijn vastgelegd.