triool
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een drietal muzieknoten of rusten op een plaats waar het gewone patroon, tweedelig is.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| triolen | meervoud |
| triooltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| triooltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘drie noten met tijdswaarde van twee of vier noten’ voor het eerst aangetroffen in 1754
Woordfamilie van triool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| triolen | meervoud | triool |
| triooltje | verkleinwoord | triool |
| triooltjes | verkleinwoord meervoud | triool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triool zijn vastgelegd.