triode
zelfstandig naamwoordBetekenis
- radiobuis met drie elementen (kathode, anode, 1 rooster)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trioden | meervoud |
| triodes | meervoud |
| triodetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| triodetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘elektronenbuis met drie elektroden’ voor het eerst aangetroffen in 1937
Woordfamilie van triode
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trioden | meervoud | triode |
| triodes | meervoud | triode |
| triodetje | verkleinwoord | triode |
| triodetjes | verkleinwoord meervoud | triode |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triode zijn vastgelegd.