treuren
werkwoordBetekenis
- verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
Vervoeging van treuren
treurenhele werkwoord — treurdeverleden tijd enkelvoud — treurdenverleden tijd meervoud — getreurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treur | treurde |
| jij | treurt | treurde |
| hij, zij, het | treurt | treurde |
| wij | treuren | treurden |
| jullie | treuren | treurden |
| zij | treuren | treurden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getreurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getreurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getreurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getreurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getreurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getreurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getreurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getreurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getreurd | verleden tijd, deelwoord |
| getreurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getreurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getreurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getreurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getreurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getreurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getreurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getreurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getreurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getreurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getreurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getreurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te treuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen treuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| treur | gebiedende wijs |
| treurde | verleden tijd |
| treure | aanvoegende wijs |
| treurend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getreurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt treuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen treuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getreurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult treuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘verdrietig zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van treuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getreurd | voltooid deelwoord | treuren |
| treur | gebiedende wijs | treuren |
| treurde | verleden tijd | treuren |
| treurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | treuren |
| treure | aanvoegende wijs | treuren |
| treurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | treuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van treuren zijn vastgelegd.