trekarm
zelfstandig naamwoordBetekenis
- handvat boven het bed waaraan een patiënt zich vanuit liggende houding kan optrekken
- de arm waarmee een handboogschutter aan de pees trekt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trekarmen | meervoud |
| trekarmpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trekarmpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van trek ww en arm zn
Woordfamilie van trekarm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trekarmen | meervoud | trekarm |
| trekarmpje | verkleinwoord | trekarm |
| trekarmpjes | verkleinwoord meervoud | trekarm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trekarm zijn vastgelegd.