transiënt
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- verstoring in de warmtehuishouding van een installatie
- van voorbijgaande aard
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transiënten | meervoud |
| transiëntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transiëntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Van het Latijnse transire (overgaan, passeren)
Woordfamilie van transiënt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transiënte | woordvorm | transiënt |
| transiënten | meervoud | transiënt |
| transiëntje | verkleinwoord | transiënt |
| transiëntjes | verkleinwoord meervoud | transiënt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transiënt zijn vastgelegd.