transitie
zelfstandig naamwoordBetekenis
- overgang of omschakeling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transities | meervoud |
| transitietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transitietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overgang’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Woordfamilie van transitie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transities | meervoud | transitie |
| transitietje | verkleinwoord | transitie |
| transitietjes | verkleinwoord meervoud | transitie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transitie zijn vastgelegd.