transit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- doorvoer
- tussenstop
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transitjes | verkleinwoord, meervoud |
| transits | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘doorvoer’ voor het eerst aangetroffen in 1833
Woordfamilie van transit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transitje | verkleinwoord | transit |
| transitjes | verkleinwoord meervoud | transit |
| transits | meervoud | transit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transit zijn vastgelegd.