totalisator
zelfstandig naamwoordBetekenis
- apparaat met behulp waarvan totalen berekend en geregistreerd kunnen worden, telmachine
- machine die totalen berekent t.b.v. de gokkers op wedstrijden
- toto
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| totalisatoren | meervoud |
| totalisators | meervoud |
| totalisatortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| totalisatortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘toestel dat het totaal aan inzetten bij weddenschappen op races registreert’ voor het eerst aangetroffen in 1886
Woordfamilie van totalisator
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| totalisatoren | meervoud | totalisator |
| totalisators | meervoud | totalisator |
| totalisatortje | verkleinwoord | totalisator |
| totalisatortjes | verkleinwoord meervoud | totalisator |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van totalisator zijn vastgelegd.