toeschouwer
zelfstandig naamwoord /tusxɔuər/Betekenis
- iemand die naar iets kijkt
- een bezoeker van een wedstrijd of een voorstelling
Hoe spreek je toeschouwer uit?
/tusxɔuər/
Toeschouwer bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| u | boek |
| s | sok |
| x | acht |
| ɔ | bot |
| ə | de |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toeschouwers | meervoud |
| toeschouwertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toeschouwertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Samenstellende afleiding van toe (bijwoord, dat gerichtheid aangeeft), de stam van schouwen (werkwoord: kijken) met het achtervoegsel -er; het werkwoord toeschouwen is pas later ontstaan
Woordfamilie van toeschouwer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toeschouwers | meervoud | toeschouwer |
| toeschouwertje | verkleinwoord | toeschouwer |
| toeschouwertjes | verkleinwoord meervoud | toeschouwer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toeschouwer zijn vastgelegd.