toehoorder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die luistert naar wat gezegd of gespeeld wordt maar niet actief meedoet
- publiek, luisteraar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toehoorders | meervoud |
| toehoordertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toehoordertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van toehoren met het achtervoegsel -der
Woordfamilie van toehoorder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toehoorders | meervoud | toehoorder |
| toehoordertje | verkleinwoord | toehoorder |
| toehoordertjes | verkleinwoord meervoud | toehoorder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toehoorder zijn vastgelegd.