tijdschrift
zelfstandig naamwoord ˈtɛitsxrɪftBetekenis
- blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
Hoe spreek je tijdschrift uit?
/ˈtɛitsxrɪft/
Tijdschrift bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vers waarin de letters die ook Romeinse cijfers zijn kunnen worden opgeteld tot een jaartal dat betekenis heeft die verband houdt met de strekking van het vers obsolete
- document waarin van jaar tot jaar de belangrijkste gebeurtenissen worden beschreven obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tijdschriften | meervoud |
| tijdschriftje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tijdschriftjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van tijd zn en schrift zn **[1] mogelijk als leenvertaling van Duits Zeitschrift zn in de betekenis "periodiek" aangetroffen vanaf 1775 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van tijdschrift
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tijdschriften | meervoud | tijdschrift |
| tijdschriftje | verkleinwoord | tijdschrift |
| tijdschriftjes | verkleinwoord meervoud | tijdschrift |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tijdschrift zijn vastgelegd.