ticket
zelfstandig naamwoord ˈtɪkətBetekenis
- een papiertje dat ergens recht op geeft, zoals toegang of deelname
- toegangsbewijs
- bekeuring
Hoe spreek je ticket uit?
/ˈtɪkət/
Ticket bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine, neuter
- papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
- digitaal dossier voor afhandeling van een reparatieverzoek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ticketje | verkleinwoord |
| ticketje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ticketjes | verkleinwoord, meervoud |
| ticketjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| tickets | meervoud |
| ticketten | enkelvoud |
Herkomst
van Engels ticket, in de betekenis van ‘kaartje’ voor het eerst aangetroffen in 1847 In Belgisch-Nederlands ontleend via Frans ticket, waardoor uitspraak en meervoudsvorming verschillen.
Woordfamilie van ticket
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ticketje | verkleinwoord | ticket |
| ticketjes | verkleinwoord meervoud | ticket |
| tickets | meervoud | ticket |
| ticketten | enkelvoud | ticket |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ticket zijn vastgelegd.