thuisfront
zelfstandig naamwoord ˈtœysfrɔntBetekenis
- geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
- gezin en andere nauw betrokkenen die achterblijven wanneer iemand wordt uitgezonden naar een oorlogsgebied
- mensen uit het huishouden van iemand die een druk bestaan heeft of een verre reis maakt
- interne betrokkenen bij iemand die juist extern actief is
Hoe spreek je thuisfront uit?
/ˈtœysfrɔnt/
Thuisfront bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| œy | huis |
| s | sok |
| f | fiets |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| thuisfronten | meervoud |
| thuisfrontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| thuisfrontjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
leenvertaling van Engels home front, samenstelling van thuis zn en front zn , in de betekenis "inspanning van de burgerbevolking als bijdrage aan de oorlog" aangetroffen vanaf 1917 (zie citaat hieronder)
Woordfamilie van thuisfront
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| thuisfronten | meervoud | thuisfront |
| thuisfrontje | verkleinwoord | thuisfront |
| thuisfrontjes | verkleinwoord meervoud | thuisfront |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thuisfront zijn vastgelegd.