therapeut
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die een patiënt behandelt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| therapeuten | meervoud |
| therapeutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| therapeutjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geneeskundige’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van therapeut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| therapeuten | meervoud | therapeut |
| therapeutje | verkleinwoord | therapeut |
| therapeutjes | verkleinwoord meervoud | therapeut |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van therapeut zijn vastgelegd.