terugkeren
werkwoord t(ə)ˈrʏxkerə(n)Betekenis
- gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
Hoe spreek je terugkeren uit?
/təˈrʏxkerən/
Terugkeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
| k | kat |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- opnieuw verschijnen na gedurende enige tijd te zijn weggeweest ergative, figuratively
- opnieuw in het bezit komen van intransitive
Vervoeging van terugkeren
terugkerenhele werkwoord — keerde terugverleden tijd enkelvoud — keerden terugverleden tijd meervoud — teruggekeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | keer terug | keerde terug |
| jij | keert terug | keerde terug |
| hij, zij, het | keert terug | keerde terug |
| wij | keren terug | keerden terug |
| jullie | keren terug | keerden terug |
| zij | keren terug | keerden terug |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggekeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggekeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggekeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| keer terug | gebiedende wijs |
| keerde terug | verleden tijd |
| te hebben teruggekeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te keren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen keren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal keren | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou keren | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden keren | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt keren | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen keren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen keren | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult keren | bijzin, toekomende tijd |
| teruggekeerd | verleden tijd, deelwoord |
| teruggekeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggekeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugkeer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugkeerde | bijzin, verleden tijd |
| terugkeerden | bijzin, verleden tijd |
| terugkeert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugkerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugkeren | bijzin, toekomende tijd |
| zou teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugkeren terug zou(dt) keren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggekeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugkeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugkeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggekeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugkeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugkeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugkeren terug zult/zal keren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en keren ww
Woordfamilie van terugkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keer terug | gebiedende wijs | terugkeren |
| keerde terug | verleden tijd | terugkeren |
| keerden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugkeren |
| keert terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugkeren |
| kere terug | woordvorm | terugkeren |
| keren terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugkeren |
| teruggekeerd | voltooid deelwoord | terugkeren |
| terugkeerde | subordinate-clause, verleden tijd | terugkeren |
| terugkeerden | subordinate-clause, verleden tijd | terugkeren |
| terugkeert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugkeren |
| terugkere | with-subordinate-clause | terugkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugkeren zijn vastgelegd.