terughouden
werkwoordBetekenis
- iets ~: iets niet voegen bij wat gegeven wordt
- iemand ~ van: iemand bewegen iets na te laten
Vervoeging van terughouden
terughoudenhele werkwoord — hield terugverleden tijd enkelvoud — hielden terugverleden tijd meervoud — teruggehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou terug | hield terug |
| jij | houdt terug | hield terug |
| hij, zij, het | houdt terug | hield terug |
| wij | houden terug | hielden terug |
| jullie | houden terug | hielden terug |
| zij | houden terug | hielden terug |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. hou terug/ houd terug | gebiedende wijs |
| had teruggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teruggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teruggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teruggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teruggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teruggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teruggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teruggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield terug | verleden tijd |
| te hebben teruggehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terughouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| teruggehouden | verleden tijd, deelwoord |
| teruggehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terughield | bijzin, verleden tijd |
| terughielden | bijzin, verleden tijd |
| terughou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terughoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terughoudend | onvoltooid, deelwoord |
| terughoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terughouden | bijzin, toekomende tijd |
| zou teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terughouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terughouden terug zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terughouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terughouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terughouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terughouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult teruggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terughouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terughouden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terughouden terug zult/zal houden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en houden ww
Woordfamilie van terughouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield terug | verleden tijd | terughouden |
| hielden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terughouden |
| hou terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | terughouden |
| houd terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | terughouden |
| houde terug | woordvorm | terughouden |
| houden terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terughouden |
| houdt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terughouden |
| teruggehouden | voltooid deelwoord | terughouden |
| terughield | subordinate-clause, verleden tijd | terughouden |
| terughielden | subordinate-clause, verleden tijd | terughouden |
| terughou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terughouden |
| terughoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terughouden |
| terughoude | with-subordinate-clause | terughouden |
| terughoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terughouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terughouden zijn vastgelegd.