tepel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens. Bij de vrouwen komt tijdens het zogen uit de tepels de melk voor de baby. Bij de man is de tepel een rudimentair lichaamsdeel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tepels | meervoud |
| tepeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tepeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitmonding van melkklier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van tepel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tepels | meervoud | tepel |
| tepeltje | verkleinwoord | tepel |
| tepeltjes | verkleinwoord meervoud | tepel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tepel zijn vastgelegd.