teleurstellen
werkwoord təˈlørstɛlə(n)Betekenis
- iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
Hoe spreek je teleurstellen uit?
/təˈlørstɛlən/
Teleurstellen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ø | deur |
| r | rood |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van teleurstellen
teleurstellenhele werkwoord — stelde teleurverleden tijd enkelvoud — stelden teleurverleden tijd meervoud — teleurgesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel teleur | stelde teleur |
| jij | stelt teleur | stelde teleur |
| hij, zij, het | stelt teleur | stelde teleur |
| wij | stellen teleur | stelden teleur |
| jullie | stellen teleur | stelden teleur |
| zij | stellen teleur | stelden teleur |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is teleurgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was teleurgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd teleurgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt teleurgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal teleurgesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal teleurgesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou teleurgesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou teleurgesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teleurgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stel teleur | gebiedende wijs |
| stelde teleur | verleden tijd |
| te hebben teleurgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen teleurstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teleur te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teleur te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teleur zal stellen | bijzin, toekomende tijd |
| teleur zou stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| teleur zouden stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| teleur zoudt stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| teleur zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teleur zullen stellen | bijzin, toekomende tijd |
| teleur zult stellen | bijzin, toekomende tijd |
| teleurgesteld | verleden tijd, deelwoord |
| teleurgesteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teleurgesteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teleurgesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teleurgesteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teleurgesteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teleurgesteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teleurgesteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teleurgesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teleurgesteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teleurgesteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teleurstel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| teleurstelde | bijzin, verleden tijd |
| teleurstelden | bijzin, verleden tijd |
| teleurstellend | onvoltooid, deelwoord |
| teleurstelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teleurgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt teleurgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal teleurgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teleurgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal teleurstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teleurgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou teleurstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) teleurstellen teleur zou(dt) stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden teleurstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teleurgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teleurgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt teleurstellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen teleurgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teleurgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teleurgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teleurgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen teleurstellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen teleurstellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen teleurstellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult teleurgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘niet vervullen’ voor het eerst aangetroffen in 1539
Woordfamilie van teleurstellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stel teleur | gebiedende wijs | teleurstellen |
| stelde teleur | verleden tijd | teleurstellen |
| stelden teleur | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | teleurstellen |
| stelle teleur | woordvorm | teleurstellen |
| stellen teleur | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | teleurstellen |
| stelt teleur | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | teleurstellen |
| teleurstel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | teleurstellen |
| teleurstelde | subordinate-clause, verleden tijd | teleurstellen |
| teleurstelden | subordinate-clause, verleden tijd | teleurstellen |
| teleurstelle | with-subordinate-clause | teleurstellen |
| teleurstelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | teleurstellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teleurstellen zijn vastgelegd.