tegenwerken
werkwoordBetekenis
- zich tegen iets verzetten
werkwoord
- elkaar dwarszitten reciprocal
Vervoeging van tegenwerken
tegenwerkenhele werkwoord — werkte tegenverleden tijd enkelvoud — werkten tegenverleden tijd meervoud — tegengewerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werk tegen | werkte tegen |
| jij | werkt tegen | werkte tegen |
| hij, zij, het | werkt tegen | werkte tegen |
| wij | werken tegen | werkten tegen |
| jullie | werken tegen | werkten tegen |
| zij | werken tegen | werkten tegen |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is tegengewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was tegengewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd tegengewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt tegengewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal tegengewerkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal tegengewerkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou tegengewerkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou tegengewerkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben tegengewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegenwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te werken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal werken | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou werken | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden werken | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt werken | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen werken | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult werken | bijzin, toekomende tijd |
| tegengewerkt | verleden tijd, deelwoord |
| tegengewerkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegengewerkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegengewerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengewerkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengewerkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengewerkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| tegengewerkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| tegengewerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegengewerkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegengewerkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegenwerk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenwerkend | onvoltooid, deelwoord |
| tegenwerkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenwerkte | bijzin, verleden tijd |
| tegenwerkten | bijzin, verleden tijd |
| waart tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was tegengewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werk tegen | gebiedende wijs |
| werkte tegen | verleden tijd |
| word tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt tegengewerkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal tegengewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegenwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt tegengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegenwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegenwerken tegen zou(dt) werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegenwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegengewerkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegenwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegengewerkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegengewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengewerkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegenwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegenwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van tegen bw en werken ww
Woordfamilie van tegenwerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tegengewerkt | voltooid deelwoord | tegenwerken |
| tegengewerkte | woordvorm | tegenwerken |
| tegenwerk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenwerken |
| tegenwerke | with-subordinate-clause | tegenwerken |
| tegenwerkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenwerken |
| tegenwerkte | subordinate-clause, verleden tijd | tegenwerken |
| tegenwerkten | subordinate-clause, verleden tijd | tegenwerken |
| werk tegen | gebiedende wijs | tegenwerken |
| werke tegen | woordvorm | tegenwerken |
| werken tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegenwerken |
| werkt tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegenwerken |
| werkte tegen | verleden tijd | tegenwerken |
| werkten tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegenwerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenwerken zijn vastgelegd.