teerling
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen 'één' tot en met 'zes'
zelfstandig naamwoord — masculine
- kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen "één" tot en met "zes"
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| teerlingen | meervoud |
| teerlinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| teerlinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van teerlingen
- gebiedende wijs van teerlingen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van teerlingen
Vervoeging van teerling
teerlinghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dobbelsteen’ voor het eerst aangetroffen in 1210
Woordfamilie van teerling
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teerlingen | meervoud | teerling |
| teerlinkje | verkleinwoord | teerling |
| teerlinkjes | verkleinwoord meervoud | teerling |
| geteerlingd | woordvorm | teerlingen |
| teerlingde | woordvorm | teerlingen |
| teerlingden | woordvorm | teerlingen |
| teerlinge | woordvorm | teerlingen |
| teerlingend | woordvorm | teerlingen |
| teerlingende | woordvorm | teerlingen |
| teerlingt | woordvorm | teerlingen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teerling zijn vastgelegd.