tarten
werkwoordBetekenis
- iets doen waarvan men weet dat iemand er erg tegen is
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- het lot tarten: iets heel gevaarlijks doen figuratively
Vervoeging van tarten
tartenhele werkwoord — tartteverleden tijd enkelvoud — tarttenverleden tijd meervoud — getartvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tart | tartte |
| jij | tart | tartte |
| hij, zij, het | tart | tartte |
| wij | tarten | tartten |
| jullie | tarten | tartten |
| zij | tarten | tartten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getart | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getart | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getart | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getart | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getart worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getart zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getart worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getart zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getart | verleden tijd, deelwoord |
| getart te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getart te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getart te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getart te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getart te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getart worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getart zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getart zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getart zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getart zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| tart | gebiedende wijs |
| tarte | aanvoegende wijs |
| tartend | onvoltooid, deelwoord |
| tartte | verleden tijd |
| te hebben getart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tarten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tarten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart getart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getart | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getart | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getart | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getart | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getart | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getart | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getart | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getart worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getart worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getart zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getart zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getart worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getart zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getart worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getart worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getart worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getart zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getart zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getart zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tarten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getart worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getart zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘prikkelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1550
Woordfamilie van tarten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getart | voltooid deelwoord | tarten |
| getarte | woordvorm | tarten |
| tart | gebiedende wijs | tarten |
| tarte | aanvoegende wijs | tarten |
| tartte | verleden tijd | tarten |
| tartten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tarten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tarten zijn vastgelegd.