tape
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtepəBetekenis
- plakband bijv. isolatietape, afplaktape, sellotape, sporttape
- magneetband van een opnameapparaat bijv. audiotape, cassettetape, filmtape, mastertape, videotape
- papieren strook bij een telegrafisch apparaat, ticker-tape
- telegrafisch koersbericht onder beurstijd, tickertape
- klopje, klapje (bijv. op de schouder)
- tik (op een toetsenbord)
- kwijtraken, verliezen
- verliezen
- aan het kortste eind trekken, verliezen
- vastplakken (met plakband, tape)
- opnemen (op tape of magneetband)
- plakband, tape
- ponsstrook
- tape, magneetband
Hoe spreek je tape uit?
/ˈtepə/
Tape bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| e | veel |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tapes | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tapen
- gebiedende wijs van tapen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tapen
- aanvoegende wijs van tapen
Vervoeging van tape
tapehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘strook’ voor het eerst aangetroffen in 1947
Woordfamilie van tape
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tapes | meervoud | tape |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tape zijn vastgelegd.