taperecorder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een apparaat voor het opnemen van geluid op een band
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| taperecorders | meervoud |
| taperecordertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| taperecordertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bandopnemer’ voor het eerst aangetroffen in 1953
Woordfamilie van taperecorder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| taperecorders | meervoud | taperecorder |
| taperecordertje | verkleinwoord | taperecorder |
| taperecordertjes | verkleinwoord meervoud | taperecorder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van taperecorder zijn vastgelegd.