tamboer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tamboers | meervoud |
| tamboertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tamboertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tamboeren
- gebiedende wijs van tamboeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tamboeren
Vervoeging van tamboer
tamboerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘trommelaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Woordfamilie van tamboer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tamboers | meervoud | tamboer |
| tamboertje | verkleinwoord | tamboer |
| tamboertjes | verkleinwoord meervoud | tamboer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tamboer zijn vastgelegd.