sussen
werkwoordBetekenis
- tot bedaren brengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van sussen
sussenhele werkwoord — susteverleden tijd enkelvoud — sustenverleden tijd meervoud — gesustvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sus | suste |
| jij | sust | suste |
| hij, zij, het | sust | suste |
| wij | sussen | susten |
| jullie | sussen | susten |
| zij | sussen | susten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesust | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesust | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesust worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesust zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesust worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesust zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesust | verleden tijd, deelwoord |
| gesust te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesust zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sus | gebiedende wijs |
| susse | aanvoegende wijs |
| sussend | onvoltooid, deelwoord |
| suste | verleden tijd |
| te hebben gesust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sussen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sussen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sussen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kalmeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1501
Woordfamilie van sussen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesust | voltooid deelwoord | sussen |
| sus | gebiedende wijs | sussen |
| susse | aanvoegende wijs | sussen |
| sust | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sussen |
| suste | verleden tijd | sussen |
| susten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sussen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sussen zijn vastgelegd.