stumper
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- stakker, zielenpoot, stumperd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stumpers | meervoud |
| stumpertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stumpertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stumperen
- gebiedende wijs van stumperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stumperen
Vervoeging van stumper
stumperhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stakker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van stumper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stumpers | meervoud | stumper |
| stumpertje | verkleinwoord | stumper |
| stumpertjes | verkleinwoord meervoud | stumper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stumper zijn vastgelegd.