stuiptrekken
werkwoordBetekenis
- onwillekeurige bewegingen maken bij een toeval
werkwoord
- . onwillekeurige bewegingen maken bij een toeval unergative
Vervoeging van stuiptrekken
stuiptrekkenhele werkwoord — stuiptrekteverleden tijd enkelvoud — stuiptrektenverleden tijd meervoud — gestuiptrektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stuiptrek | stuiptrekte |
| jij | stuiptrekt | stuiptrekte |
| hij, zij, het | stuiptrekt | stuiptrekte |
| wij | stuiptrekken | stuiptrekten |
| jullie | stuiptrekken | stuiptrekten |
| zij | stuiptrekken | stuiptrekten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestuiptrekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestuiptrekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestuiptrekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestuiptrekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestuiptrekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestuiptrekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestuiptrekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestuiptrekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestuiptrekt | verleden tijd, deelwoord |
| gestuiptrekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestuiptrekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestuiptrekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestuiptrekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestuiptrekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stuiptrek | gebiedende wijs |
| stuiptrekke | aanvoegende wijs |
| stuiptrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| stuiptrekte | verleden tijd |
| te hebben gestuiptrekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stuiptrekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stuiptrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestuiptrekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stuiptrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestuiptrekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stuiptrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van stuip en trekken
Woordfamilie van stuiptrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestuiptrekt | voltooid deelwoord | stuiptrekken |
| stuiptrek | gebiedende wijs | stuiptrekken |
| stuiptrekke | aanvoegende wijs | stuiptrekken |
| stuiptrekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stuiptrekken |
| stuiptrekte | verleden tijd | stuiptrekken |
| stuiptrekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stuiptrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuiptrekken zijn vastgelegd.