stuik
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- einde van balken of planken voor een lasverbinding
- geheel van graanschoven die tegen elkaar geplaatst zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuiken
- gebiedende wijs van stuiken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuiken
Vervoeging van stuik
stuikhele werkwoord