stuf
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- gum, vlakgom
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stufje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stufjes | verkleinwoord, meervoud |
| stufs | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuffen
- gebiedende wijs van stuffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stuffen
Vervoeging van stuf
stufhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vlakgom’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van stuf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stufje | verkleinwoord | stuf |
| stufjes | verkleinwoord meervoud | stuf |
| stufs | meervoud | stuf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuf zijn vastgelegd.