structuralist
zelfstandig naamwoordBetekenis
- aanhanger van de Nederlandse architectuurstijl die, geïnspireerd door de theorie van de Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure, zich kenmerkt door gebouwen met een geometrische structuur samengesteld uit vaak kleine eenheden die gerelateerd zijn aan de menselijke maat
- aanhanger van de muziekstroming uit de 20ste eeuw die, in navolging van de architectuurstroming structuralisme en diens taalkundige model, gekenmerkt wordt door een analyse van de elementen van een compositie die inzicht zouden (moeten) verschaffen over de opbouw van de compositie zelf.
- aanhanger van het structuralisme, de theorie van Ferdinand de Saussure, die gebaseerd is op de wederzijdse wisselwerking van de elementen van een taal die dan samen een herkenbaar structuur vormen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| structuralisten | meervoud |
Herkomst
afleiding van structuur met het achtervoegsel -ist
Woordfamilie van structuralist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| structuralisten | meervoud | structuralist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van structuralist zijn vastgelegd.