structuralistisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- met betrekking tot de (oorspronkelijk taalkundige) theorie van het structuralisme.
Herkomst
Leenwoord uit het Frans structuraliste, in de taalkundige betekenis van ‘het structuralisme aanhangend’ voor het eerst aangetroffen in 1939, zie vindplaats hieronder.