stage
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- meer in het algemeen verblijf b.v. hoogtestage, trainingsstage
- toneel (van het Engels) b.v. in stagemanager, stagediver, stagediving, backstage
- podium
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- tijd gedurende welke een leerling of student onder begeleiding in de praktijk werkt als onderdeel van de opleiding, praktisch werken, praktijkstage
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stages | meervoud |
| stagetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stagetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- verbogen vorm van de stellende trap van staag
Woordvorm
- aanvoegende wijs van stagen
Vervoeging van stage
stagehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘proeftijd’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van stage
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stages | meervoud | stage |
| stagetje | verkleinwoord | stage |
| stagetjes | verkleinwoord meervoud | stage |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stage zijn vastgelegd.